stileren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of stileren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: stileren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: stilerend
Past participle - Verleden deelwoord: gestileerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikstileer
jijstileert
hijstileert
wijstileren
julliestileren
zijstileren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gestileerd
jijhebt gestileerd
hijheeft gestileerd
wijhebben gestileerd
julliehebben gestileerd
zijhebben gestileerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikstileerde
jijstileerde
hijstileerde
wijstileerden
julliestileerden
zijstileerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gestileerd
jijhad gestileerd
hijhad gestileerd
wijhadden gestileerd
julliehadden gestileerd
zijhadden gestileerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal stileren
jijzult stileren
hijzal stileren
wijzullen stileren
julliezullen stileren
zijzullen stileren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gestileerd hebben
jijzult gestileerd hebben
hijzal gestileerd hebben
wijzullen gestileerd hebben
julliezullen gestileerd hebben
zijzullen gestileerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou stileren
jijzou stileren
hijzou stileren
wijzouden stileren
julliezouden stileren
zijzouden stileren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gestileerd hebben
jijzou gestileerd hebben
hijzou gestileerd hebben
wijzouden gestileerd hebben
julliezouden gestileerd hebben
zijzouden gestileerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijstileer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information