snieren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of snieren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: snieren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: snierend
Past participle - Verleden deelwoord: gesnierd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iksnier
jijsniert
hijsniert
wijsnieren
julliesnieren
zijsnieren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gesnierd
jijhebt gesnierd
hijheeft gesnierd
wijhebben gesnierd
julliehebben gesnierd
zijhebben gesnierd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iksnierde
jijsnierde
hijsnierde
wijsnierden
julliesnierden
zijsnierden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gesnierd
jijhad gesnierd
hijhad gesnierd
wijhadden gesnierd
julliehadden gesnierd
zijhadden gesnierd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal snieren
jijzult snieren
hijzal snieren
wijzullen snieren
julliezullen snieren
zijzullen snieren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gesnierd hebben
jijzult gesnierd hebben
hijzal gesnierd hebben
wijzullen gesnierd hebben
julliezullen gesnierd hebben
zijzullen gesnierd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou snieren
jijzou snieren
hijzou snieren
wijzouden snieren
julliezouden snieren
zijzouden snieren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gesnierd hebben
jijzou gesnierd hebben
hijzou gesnierd hebben
wijzouden gesnierd hebben
julliezouden gesnierd hebben
zijzouden gesnierd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijsnier

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information