satineren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of satineren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: satineren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: satinerend
Past participle - Verleden deelwoord: gesatineerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iksatineer
jijsatineert
hijsatineert
wijsatineren
julliesatineren
zijsatineren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gesatineerd
jijhebt gesatineerd
hijheeft gesatineerd
wijhebben gesatineerd
julliehebben gesatineerd
zijhebben gesatineerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iksatineerde
jijsatineerde
hijsatineerde
wijsatineerden
julliesatineerden
zijsatineerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gesatineerd
jijhad gesatineerd
hijhad gesatineerd
wijhadden gesatineerd
julliehadden gesatineerd
zijhadden gesatineerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal satineren
jijzult satineren
hijzal satineren
wijzullen satineren
julliezullen satineren
zijzullen satineren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gesatineerd hebben
jijzult gesatineerd hebben
hijzal gesatineerd hebben
wijzullen gesatineerd hebben
julliezullen gesatineerd hebben
zijzullen gesatineerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou satineren
jijzou satineren
hijzou satineren
wijzouden satineren
julliezouden satineren
zijzouden satineren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gesatineerd hebben
jijzou gesatineerd hebben
hijzou gesatineerd hebben
wijzouden gesatineerd hebben
julliezouden gesatineerd hebben
zijzouden gesatineerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijsatineer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information