afsluiten – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of afsluiten

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: afsluiten
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: afsluitend
Past participle - Verleden deelwoord: afgesloten

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iksluit af
jijsluit af
hijsluit af
wijsluiten af
julliesluiten af
zijsluiten af

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb afgesloten
jijhebt afgesloten
hijheeft afgesloten
wijhebben afgesloten
julliehebben afgesloten
zijhebben afgesloten

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iksloot af
jijsloot af
hijsloot af
wijsloten af
julliesloten af
zijsloten af

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad afgesloten
jijhad afgesloten
hijhad afgesloten
wijhadden afgesloten
julliehadden afgesloten
zijhadden afgesloten

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal afsluiten
jijzult afsluiten
hijzal afsluiten
wijzullen afsluiten
julliezullen afsluiten
zijzullen afsluiten

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal afgesloten hebben
jijzult afgesloten hebben
hijzal afgesloten hebben
wijzullen afgesloten hebben
julliezullen afgesloten hebben
zijzullen afgesloten hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou afsluiten
jijzou afsluiten
hijzou afsluiten
wijzouden afsluiten
julliezouden afsluiten
zijzouden afsluiten

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou afgesloten hebben
jijzou afgesloten hebben
hijzou afgesloten hebben
wijzouden afgesloten hebben
julliezouden afgesloten hebben
zijzouden afgesloten hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijsluit af

Translations

  • culminate, to finalize, form climax of
  • island, isolate
  • isolate, isolate
  • lock, to fasten with a lock
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    afgrendelen
    afzetten, barricaderen, blokkeren, versperren
    afdammen
    dichtdraaien
    beëindigen
    besluiten

    Antonyms

    beëindigen
    continueren, doorgaan, vervolgen, voortzetten

    Sample Sentences

    • [...] daar een uitgang maakte, die buiten mijn heining of muur uitkwam, en waardoor ik in en uit kon gaan. Doch zoo geheel open te leggen beviel mij maar half, want terwijl ik te voren gezorgd had, geheel afgesloten te zijn, lag ik thans eenigzins open, hoewel ik geen levend wezen gezien had, waarvoor ik behoefde te vreezen, want het grootste dier dat ik op het eiland had bespeurd was eene geit. (Robinson Crusoe)
    • [...] houden, want anders zouden zij onder het opgroeijen altijd wild worden. De eenigste weg hiertoe was het afperken van een stuk lands met een heining of met paalwerk, ten einde zij zoodanig afgesloten waren, dat die er binnen waren er niet uit, en die er buiten waren er niet in konden komen. (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From af + sluiten.

    Additional Information