Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: spelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: spelend
Past participle - Verleden deelwoord: gespeeld
Cognates
-
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | speel |
| jij | speelt |
| hij | speelt |
| wij | spelen |
| jullie | spelen |
| zij | spelen |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb gespeeld |
| jij | hebt gespeeld |
| hij | heeft gespeeld |
| wij | hebben gespeeld |
| jullie | hebben gespeeld |
| zij | hebben gespeeld |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | speelde |
| jij | speelde |
| hij | speelde |
| wij | speelden |
| jullie | speelden |
| zij | speelden |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had gespeeld |
| jij | had gespeeld |
| hij | had gespeeld |
| wij | hadden gespeeld |
| jullie | hadden gespeeld |
| zij | hadden gespeeld |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal spelen |
| jij | zult spelen |
| hij | zal spelen |
| wij | zullen spelen |
| jullie | zullen spelen |
| zij | zullen spelen |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal gespeeld hebben |
| jij | zult gespeeld hebben |
| hij | zal gespeeld hebben |
| wij | zullen gespeeld hebben |
| jullie | zullen gespeeld hebben |
| zij | zullen gespeeld hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou spelen |
| jij | zou spelen |
| hij | zou spelen |
| wij | zouden spelen |
| jullie | zouden spelen |
| zij | zouden spelen |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou gespeeld hebben |
| jij | zou gespeeld hebben |
| hij | zou gespeeld hebben |
| wij | zouden gespeeld hebben |
| jullie | zouden gespeeld hebben |
| zij | zouden gespeeld hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'spelen'
aanberen,
aanhalen,
aanhelen,
aanhogen,
aanklagen,
aanleren,
aanmarcheren,
aanmeren,
aanrazeren,
aanschemeren,
aansmeren,
aanspelen,
aanspugen,
aantelen,
aanvegen,
aanzagen,
abandonneren,
abdiceren,
abdiqueren,
abduceren, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'spelen'
pelen,
spellen,
speren,
spoelen,
stelen,
adelen,
afspelen,
bespelen,
delen,
doelen,
Translations
act, to perform a theatrical role
play, act in a manner such that one has fun
play, produce music using a musical instrument (transitive sense), affecting a noun
play, produce music using a musical instrument (intransitive sense, not affecting a noun)
play, participate in (a sport or game)
play, use a device to watch or listen to the indicated recording
toy, to play with
toy, to ponder or consider
Sample Sentences
-
[...] verdragen kon, als wanneer ik eenige kleederen aan had; want de zon verschroeide letterlijk mijne huid, terwijl, als ik een hemd aan had, de wind mij eenige koelte gaf, door onder hetzelve te spelen. Even min kon ik het zoo ver brengen, dat ik zonder een hoed of muts in de zon liep; want dadelijk zou de zonnehitte mij hoofdpijn gegeven hebben, als de zonnestralen zoo regt op mijn hoofd vielen, [...]
(Robinson Crusoe)
-
Eenige weken lang speelde dit mij zoo door het hoofd, dat ik er des nachts soms van droomde. Ik dreef dit zoo ver, dat ik verscheidene dagen besteedde met het zoeken naar geschikte plaatsen, om mij in hinderlaag te liggen, [...]
(Robinson Crusoe)
Etymology
From Middle Dutch spēlen, equivalent to spel + -en.
Verbs referencing "spelen"
Afrikaans
speel, German, Pennsylvania
schpiele.
Additional Information