stoeien – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of stoeien

The word "stoeien" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: stoeien
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: stoeiend
Past participle - Verleden deelwoord: gestoeid

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikstoei
jijstoeit
hijstoeit
wijstoeien
julliestoeien
zijstoeien

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gestoeid
jijhebt gestoeid
hijheeft gestoeid
wijhebben gestoeid
julliehebben gestoeid
zijhebben gestoeid

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikstoeide
jijstoeide
hijstoeide
wijstoeiden
julliestoeiden
zijstoeiden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gestoeid
jijhad gestoeid
hijhad gestoeid
wijhadden gestoeid
julliehadden gestoeid
zijhadden gestoeid

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal stoeien
jijzult stoeien
hijzal stoeien
wijzullen stoeien
julliezullen stoeien
zijzullen stoeien

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gestoeid hebben
jijzult gestoeid hebben
hijzal gestoeid hebben
wijzullen gestoeid hebben
julliezullen gestoeid hebben
zijzullen gestoeid hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou stoeien
jijzou stoeien
hijzou stoeien
wijzouden stoeien
julliezouden stoeien
zijzouden stoeien

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gestoeid hebben
jijzou gestoeid hebben
hijzou gestoeid hebben
wijzouden gestoeid hebben
julliezouden gestoeid hebben
zijzouden gestoeid hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijstoei

Translations

  • lark, frolic, engage in carefree adventure
  • romp, to play roughly or energetically
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Additional Information