slodderen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of slodderen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: slodderen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: slodderend
Past participle - Verleden deelwoord: geslodderd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikslodder
jijsloddert
hijsloddert
wijslodderen
jullieslodderen
zijslodderen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geslodderd
jijhebt geslodderd
hijheeft geslodderd
wijhebben geslodderd
julliehebben geslodderd
zijhebben geslodderd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikslodderde
jijslodderde
hijslodderde
wijslodderden
jullieslodderden
zijslodderden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geslodderd
jijhad geslodderd
hijhad geslodderd
wijhadden geslodderd
julliehadden geslodderd
zijhadden geslodderd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal slodderen
jijzult slodderen
hijzal slodderen
wijzullen slodderen
julliezullen slodderen
zijzullen slodderen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geslodderd hebben
jijzult geslodderd hebben
hijzal geslodderd hebben
wijzullen geslodderd hebben
julliezullen geslodderd hebben
zijzullen geslodderd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou slodderen
jijzou slodderen
hijzou slodderen
wijzouden slodderen
julliezouden slodderen
zijzouden slodderen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geslodderd hebben
jijzou geslodderd hebben
hijzou geslodderd hebben
wijzouden geslodderd hebben
julliezouden geslodderd hebben
zijzouden geslodderd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijslodder

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Possibly a frequentative (with expressive gemination) based on Middle High German *sloten (“to beat, tremble”), but that word appears late, infrequently, and as a back-formation. Perhaps instead related to a group of words derived from Proto-Germanic *slūm- (“loose, slack, flabby”), such as English slumber. See: Middle High German '*sloten', English 'slumber'.

Verbs referencing "slodderen"

Scots Gaelic slaod, German, old spelling schludern, Swedish sluddra, Danish sludre.

Additional Information