flodderen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of flodderen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: flodderen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: flodderend
Past participle - Verleden deelwoord: geflodderd

Cognates

See the 2 cognates of flodderen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikflodder
jijfloddert
hijfloddert
wijflodderen
jullieflodderen
zijflodderen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geflodderd
jijhebt geflodderd
hijheeft geflodderd
wijhebben geflodderd
julliehebben geflodderd
zijhebben geflodderd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikflodderde
jijflodderde
hijflodderde
wijflodderden
jullieflodderden
zijflodderden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geflodderd
jijhad geflodderd
hijhad geflodderd
wijhadden geflodderd
julliehadden geflodderd
zijhadden geflodderd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal flodderen
jijzult flodderen
hijzal flodderen
wijzullen flodderen
julliezullen flodderen
zijzullen flodderen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geflodderd hebben
jijzult geflodderd hebben
hijzal geflodderd hebben
wijzullen geflodderd hebben
julliezullen geflodderd hebben
zijzullen geflodderd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou flodderen
jijzou flodderen
hijzou flodderen
wijzouden flodderen
julliezouden flodderen
zijzouden flodderen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geflodderd hebben
jijzou geflodderd hebben
hijzou geflodderd hebben
wijzouden geflodderd hebben
julliezouden geflodderd hebben
zijzouden geflodderd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijflodder

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Verbs referencing "flodderen"

English flounder, English flutter.

Additional Information