rieken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of rieken

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: rieken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: riekend
Past participle - Verleden deelwoord: geroken

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikriek
jijriekt
hijriekt
wijrieken
jullierieken
zijrieken

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geroken
jijhebt geroken
hijheeft geroken
wijhebben geroken
julliehebben geroken
zijhebben geroken

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikrook
jijrook
hijrook
wijroken
jullieroken
zijroken

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geroken
jijhad geroken
hijhad geroken
wijhadden geroken
julliehadden geroken
zijhadden geroken

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal rieken
jijzult rieken
hijzal rieken
wijzullen rieken
julliezullen rieken
zijzullen rieken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geroken hebben
jijzult geroken hebben
hijzal geroken hebben
wijzullen geroken hebben
julliezullen geroken hebben
zijzullen geroken hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou rieken
jijzou rieken
hijzou rieken
wijzouden rieken
julliezouden rieken
zijzouden rieken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geroken hebben
jijzou geroken hebben
hijzou geroken hebben
wijzouden geroken hebben
julliezouden geroken hebben
zijzouden geroken hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijriek

Verbs similar to 'rieken'

kieken, bieden, breken, dienen, dieven, doeken, drinken, gieren, gieten, hikken,

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

geuren
ruiken, stinken

Sample Sentences

Etymology

From Middle Dutch rieken, from Old Dutch riecan, from Proto-West Germanic *reukan, from Proto-Germanic *reukaną. Doublet of ruiken. Cognate to English reek. See: Proto-Germanic '*reukaną'.

Verbs referencing "rieken"

German, old spelling riechen, Luxembourgish richen.

Additional Information