revancheren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of revancheren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: revancheren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: revancherend
Past participle - Verleden deelwoord: gerevancheerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikrevancheer
jijrevancheert
hijrevancheert
wijrevancheren
jullierevancheren
zijrevancheren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gerevancheerd
jijhebt gerevancheerd
hijheeft gerevancheerd
wijhebben gerevancheerd
julliehebben gerevancheerd
zijhebben gerevancheerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikrevancheerde
jijrevancheerde
hijrevancheerde
wijrevancheerden
jullierevancheerden
zijrevancheerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gerevancheerd
jijhad gerevancheerd
hijhad gerevancheerd
wijhadden gerevancheerd
julliehadden gerevancheerd
zijhadden gerevancheerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal revancheren
jijzult revancheren
hijzal revancheren
wijzullen revancheren
julliezullen revancheren
zijzullen revancheren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gerevancheerd hebben
jijzult gerevancheerd hebben
hijzal gerevancheerd hebben
wijzullen gerevancheerd hebben
julliezullen gerevancheerd hebben
zijzullen gerevancheerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou revancheren
jijzou revancheren
hijzou revancheren
wijzouden revancheren
julliezouden revancheren
zijzouden revancheren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gerevancheerd hebben
jijzou gerevancheerd hebben
hijzou gerevancheerd hebben
wijzouden gerevancheerd hebben
julliezouden gerevancheerd hebben
zijzouden gerevancheerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijrevancheer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information