avanceren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of avanceren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: avanceren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: avancerend
Past participle - Verleden deelwoord: geavanceerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikavanceer
jijavanceert
hijavanceert
wijavanceren
jullieavanceren
zijavanceren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geavanceerd
jijhebt geavanceerd
hijheeft geavanceerd
wijhebben geavanceerd
julliehebben geavanceerd
zijhebben geavanceerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikavanceerde
jijavanceerde
hijavanceerde
wijavanceerden
jullieavanceerden
zijavanceerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geavanceerd
jijhad geavanceerd
hijhad geavanceerd
wijhadden geavanceerd
julliehadden geavanceerd
zijhadden geavanceerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal avanceren
jijzult avanceren
hijzal avanceren
wijzullen avanceren
julliezullen avanceren
zijzullen avanceren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geavanceerd hebben
jijzult geavanceerd hebben
hijzal geavanceerd hebben
wijzullen geavanceerd hebben
julliezullen geavanceerd hebben
zijzullen geavanceerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou avanceren
jijzou avanceren
hijzou avanceren
wijzouden avanceren
julliezouden avanceren
zijzouden avanceren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geavanceerd hebben
jijzou geavanceerd hebben
hijzou geavanceerd hebben
wijzouden geavanceerd hebben
julliezouden geavanceerd hebben
zijzouden geavanceerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijavanceer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From Middle Dutch avanceren, from Middle French avancer. See: Middle French 'avancer'.

Additional Information