renonceren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of renonceren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: renonceren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: renoncerend
Past participle - Verleden deelwoord: gerenonceerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikrenonceer
jijrenonceert
hijrenonceert
wijrenonceren
jullierenonceren
zijrenonceren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gerenonceerd
jijhebt gerenonceerd
hijheeft gerenonceerd
wijhebben gerenonceerd
julliehebben gerenonceerd
zijhebben gerenonceerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikrenonceerde
jijrenonceerde
hijrenonceerde
wijrenonceerden
jullierenonceerden
zijrenonceerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gerenonceerd
jijhad gerenonceerd
hijhad gerenonceerd
wijhadden gerenonceerd
julliehadden gerenonceerd
zijhadden gerenonceerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal renonceren
jijzult renonceren
hijzal renonceren
wijzullen renonceren
julliezullen renonceren
zijzullen renonceren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gerenonceerd hebben
jijzult gerenonceerd hebben
hijzal gerenonceerd hebben
wijzullen gerenonceerd hebben
julliezullen gerenonceerd hebben
zijzullen gerenonceerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou renonceren
jijzou renonceren
hijzou renonceren
wijzouden renonceren
julliezouden renonceren
zijzouden renonceren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gerenonceerd hebben
jijzou gerenonceerd hebben
hijzou gerenonceerd hebben
wijzouden gerenonceerd hebben
julliezouden gerenonceerd hebben
zijzouden gerenonceerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijrenonceer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information