detacheren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of detacheren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: detacheren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: detacherend
Past participle - Verleden deelwoord: gedetacheerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdetacheer
jijdetacheert
hijdetacheert
wijdetacheren
julliedetacheren
zijdetacheren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gedetacheerd
jijhebt gedetacheerd
hijheeft gedetacheerd
wijhebben gedetacheerd
julliehebben gedetacheerd
zijhebben gedetacheerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdetacheerde
jijdetacheerde
hijdetacheerde
wijdetacheerden
julliedetacheerden
zijdetacheerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gedetacheerd
jijhad gedetacheerd
hijhad gedetacheerd
wijhadden gedetacheerd
julliehadden gedetacheerd
zijhadden gedetacheerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal detacheren
jijzult detacheren
hijzal detacheren
wijzullen detacheren
julliezullen detacheren
zijzullen detacheren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gedetacheerd hebben
jijzult gedetacheerd hebben
hijzal gedetacheerd hebben
wijzullen gedetacheerd hebben
julliezullen gedetacheerd hebben
zijzullen gedetacheerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou detacheren
jijzou detacheren
hijzou detacheren
wijzouden detacheren
julliezouden detacheren
zijzouden detacheren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gedetacheerd hebben
jijzou gedetacheerd hebben
hijzou gedetacheerd hebben
wijzouden gedetacheerd hebben
julliezouden gedetacheerd hebben
zijzouden gedetacheerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdetacheer

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

inlijven
plaatsen

Sample Sentences

Etymology

Borrowed from French détacher. See: French 'détacher'.

Additional Information