prakken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of prakken

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: prakken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: prakkend
Past participle - Verleden deelwoord: geprakt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikprak
jijprakt
hijprakt
wijprakken
jullieprakken
zijprakken

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geprakt
jijhebt geprakt
hijheeft geprakt
wijhebben geprakt
julliehebben geprakt
zijhebben geprakt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikprakte
jijprakte
hijprakte
wijprakten
jullieprakten
zijprakten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geprakt
jijhad geprakt
hijhad geprakt
wijhadden geprakt
julliehadden geprakt
zijhadden geprakt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal prakken
jijzult prakken
hijzal prakken
wijzullen prakken
julliezullen prakken
zijzullen prakken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geprakt hebben
jijzult geprakt hebben
hijzal geprakt hebben
wijzullen geprakt hebben
julliezullen geprakt hebben
zijzullen geprakt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou prakken
jijzou prakken
hijzou prakken
wijzouden prakken
julliezouden prakken
zijzouden prakken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geprakt hebben
jijzou geprakt hebben
hijzou geprakt hebben
wijzouden geprakt hebben
julliezouden geprakt hebben
zijzouden geprakt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijprak

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

fijnmaken
malen, verpulveren

Sample Sentences

Etymology

Onomatopoeic.

Additional Information