opvoeden – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of opvoeden

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: opvoeden
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: opvoedend
Past participle - Verleden deelwoord: opgevoed

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikvoed op
jijvoedt op
hijvoedt op
wijvoeden op
jullievoeden op
zijvoeden op

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb opgevoed
jijhebt opgevoed
hijheeft opgevoed
wijhebben opgevoed
julliehebben opgevoed
zijhebben opgevoed

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikvoedde op
jijvoedde op
hijvoedde op
wijvoedden op
jullievoedden op
zijvoedden op

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad opgevoed
jijhad opgevoed
hijhad opgevoed
wijhadden opgevoed
julliehadden opgevoed
zijhadden opgevoed

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal opvoeden
jijzult opvoeden
hijzal opvoeden
wijzullen opvoeden
julliezullen opvoeden
zijzullen opvoeden

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal opgevoed hebben
jijzult opgevoed hebben
hijzal opgevoed hebben
wijzullen opgevoed hebben
julliezullen opgevoed hebben
zijzullen opgevoed hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou opvoeden
jijzou opvoeden
hijzou opvoeden
wijzouden opvoeden
julliezouden opvoeden
zijzouden opvoeden

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou opgevoed hebben
jijzou opgevoed hebben
hijzou opgevoed hebben
wijzouden opgevoed hebben
julliezouden opgevoed hebben
zijzouden opgevoed hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijvoed op

Translations

  • co-educate, to instruct or train
  • educate, to instruct or train
  • foster, to nurture or bring up offspring; or to provide similar parental care to an unrelated child
  • rear, to bring up to maturity
  • upbreed, to rear, or bring up; to nurse
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From op + voeden.

    Additional Information