oppassen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of oppassen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: oppassen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: oppassend
Past participle - Verleden deelwoord: opgepast

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikpas op
jijpast op
hijpast op
wijpassen op
julliepassen op
zijpassen op

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb opgepast
jijhebt opgepast
hijheeft opgepast
wijhebben opgepast
julliehebben opgepast
zijhebben opgepast

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikpaste op
jijpaste op
hijpaste op
wijpasten op
julliepasten op
zijpasten op

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad opgepast
jijhad opgepast
hijhad opgepast
wijhadden opgepast
julliehadden opgepast
zijhadden opgepast

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal oppassen
jijzult oppassen
hijzal oppassen
wijzullen oppassen
julliezullen oppassen
zijzullen oppassen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal opgepast hebben
jijzult opgepast hebben
hijzal opgepast hebben
wijzullen opgepast hebben
julliezullen opgepast hebben
zijzullen opgepast hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou oppassen
jijzou oppassen
hijzou oppassen
wijzouden oppassen
julliezouden oppassen
zijzouden oppassen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou opgepast hebben
jijzou opgepast hebben
hijzou opgepast hebben
wijzouden opgepast hebben
julliezouden opgepast hebben
zijzouden opgepast hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijpas op

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

opletten
uitkijken
babysitten
verzorgen, zorgen

Sample Sentences

Etymology

From op + passen.

Verbs referencing "oppassen"

German, old spelling aufpassen.

Additional Information