uitkijken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of uitkijken

The word "uitkijken" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: uitkijken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: uitkijkend
Past participle - Verleden deelwoord: uitgekijkt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikkijk uit
jijkijkt uit
hijkijkt uit
wijkijken uit
julliekijken uit
zijkijken uit

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb uitgekijkt
jijhebt uitgekijkt
hijheeft uitgekijkt
wijhebben uitgekijkt
julliehebben uitgekijkt
zijhebben uitgekijkt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikkijkte uit
jijkijkte uit
hijkijkte uit
wijkijkten uit
julliekijkten uit
zijkijkten uit

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad uitgekijkt
jijhad uitgekijkt
hijhad uitgekijkt
wijhadden uitgekijkt
julliehadden uitgekijkt
zijhadden uitgekijkt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal uitkijken
jijzult uitkijken
hijzal uitkijken
wijzullen uitkijken
julliezullen uitkijken
zijzullen uitkijken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal uitgekijkt hebben
jijzult uitgekijkt hebben
hijzal uitgekijkt hebben
wijzullen uitgekijkt hebben
julliezullen uitgekijkt hebben
zijzullen uitgekijkt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou uitkijken
jijzou uitkijken
hijzou uitkijken
wijzouden uitkijken
julliezouden uitkijken
zijzouden uitkijken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou uitgekijkt hebben
jijzou uitgekijkt hebben
hijzou uitgekijkt hebben
wijzouden uitgekijkt hebben
julliezouden uitgekijkt hebben
zijzouden uitgekijkt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijkijk uit

Verbs similar to 'uitkijken'

Translations

  • watch, to be wary
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    • Ik wil deze film uitkijken voordat ik naar bed ga. (I want to watch this movie until the end before I go to bed.)
    • Hij heeft het hele concert uitgekeken. (He watched the entire concert.)
    • Kun je deze video voor me uitkijken en me laten weten wat je ervan vindt? (Can you watch this video for me to the end and let me know what you think?)
    • Uitkijken! Er komt een auto aan. (Watch out! A car is coming.)
    • Je moet uitkijken bij het oversteken van de straat. (You should be vigilant when crossing the street.)
    • Ze keek uit terwijl ze door het donkere bos liep. (She looked out as she walked through the dark forest.)
    • Ik kijk uit naar onze vakantie volgende maand. (I look forward to our vacation next month.)
    • Zij kijkt ernaar uit om haar oude vrienden weer to ontmoeten. (She looks forward to meeting her old friends.)
    • We kijken allemaal uit naar het feest van volgende week. (We all look forward to the party next week.)

    Etymology

    Compound of uit + kijken.

    Verbs referencing "uitkijken"

    Afrikaans uitkyk.

    Additional Information