afmeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of afmeren

The word "afmeren" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: afmeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: afmerend
Past participle - Verleden deelwoord: afgemeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikmeer af
jijmeert af
hijmeert af
wijmeren af
julliemeren af
zijmeren af

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb afgemeerd
jijhebt afgemeerd
hijheeft afgemeerd
wijhebben afgemeerd
julliehebben afgemeerd
zijhebben afgemeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikmeerde af
jijmeerde af
hijmeerde af
wijmeerden af
julliemeerden af
zijmeerden af

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad afgemeerd
jijhad afgemeerd
hijhad afgemeerd
wijhadden afgemeerd
julliehadden afgemeerd
zijhadden afgemeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal afmeren
jijzult afmeren
hijzal afmeren
wijzullen afmeren
julliezullen afmeren
zijzullen afmeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal afgemeerd hebben
jijzult afgemeerd hebben
hijzal afgemeerd hebben
wijzullen afgemeerd hebben
julliezullen afgemeerd hebben
zijzullen afgemeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou afmeren
jijzou afmeren
hijzou afmeren
wijzouden afmeren
julliezouden afmeren
zijzouden afmeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou afgemeerd hebben
jijzou afgemeerd hebben
hijzou afgemeerd hebben
wijzouden afgemeerd hebben
julliezouden afgemeerd hebben
zijzouden afgemeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijmeer af

Verbs similar to 'afmeren'

Translations

  • dock, to land at a harbour
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From af + meren.

    Additional Information