lustreren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of lustreren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: lustreren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: lustrerend
Past participle - Verleden deelwoord: gelustreerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iklustreer
jijlustreert
hijlustreert
wijlustreren
jullielustreren
zijlustreren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gelustreerd
jijhebt gelustreerd
hijheeft gelustreerd
wijhebben gelustreerd
julliehebben gelustreerd
zijhebben gelustreerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iklustreerde
jijlustreerde
hijlustreerde
wijlustreerden
jullielustreerden
zijlustreerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gelustreerd
jijhad gelustreerd
hijhad gelustreerd
wijhadden gelustreerd
julliehadden gelustreerd
zijhadden gelustreerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal lustreren
jijzult lustreren
hijzal lustreren
wijzullen lustreren
julliezullen lustreren
zijzullen lustreren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gelustreerd hebben
jijzult gelustreerd hebben
hijzal gelustreerd hebben
wijzullen gelustreerd hebben
julliezullen gelustreerd hebben
zijzullen gelustreerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou lustreren
jijzou lustreren
hijzou lustreren
wijzouden lustreren
julliezouden lustreren
zijzouden lustreren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gelustreerd hebben
jijzou gelustreerd hebben
hijzou gelustreerd hebben
wijzouden gelustreerd hebben
julliezouden gelustreerd hebben
zijzouden gelustreerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijlustreer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information