Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: luisteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: luisterend
Past participle - Verleden deelwoord: geluisterd
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | luister |
| jij | luistert |
| hij | luistert |
| wij | luisteren |
| jullie | luisteren |
| zij | luisteren |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb geluisterd |
| jij | hebt geluisterd |
| hij | heeft geluisterd |
| wij | hebben geluisterd |
| jullie | hebben geluisterd |
| zij | hebben geluisterd |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | luisterde |
| jij | luisterde |
| hij | luisterde |
| wij | luisterden |
| jullie | luisterden |
| zij | luisterden |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had geluisterd |
| jij | had geluisterd |
| hij | had geluisterd |
| wij | hadden geluisterd |
| jullie | hadden geluisterd |
| zij | hadden geluisterd |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal luisteren |
| jij | zult luisteren |
| hij | zal luisteren |
| wij | zullen luisteren |
| jullie | zullen luisteren |
| zij | zullen luisteren |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal geluisterd hebben |
| jij | zult geluisterd hebben |
| hij | zal geluisterd hebben |
| wij | zullen geluisterd hebben |
| jullie | zullen geluisterd hebben |
| zij | zullen geluisterd hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou luisteren |
| jij | zou luisteren |
| hij | zou luisteren |
| wij | zouden luisteren |
| jullie | zouden luisteren |
| zij | zouden luisteren |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou geluisterd hebben |
| jij | zou geluisterd hebben |
| hij | zou geluisterd hebben |
| wij | zouden geluisterd hebben |
| jullie | zouden geluisterd hebben |
| zij | zouden geluisterd hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'luisteren'
aaien,
aanbaggeren,
aanbeteren,
aanboegen,
aanbreien,
aanbulderen,
aandraaien,
aandrentelen,
aaneenboeien,
aaneenkluisteren,
aaneenkoppelen,
aaneenlijmen,
aaneennaaien,
aaneennagelen,
aaneenschakelen,
aaneensnoeren,
aaneensolderen,
aaneenspijkeren,
aaneenvoegen,
aangieren, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'luisteren'
duisteren,
fluisteren,
kluisteren,
afluisteren,
beluisteren,
clusteren,
existeren,
heisteren,
justeren,
kleisteren,
Translations
hark, to listen attentively
list, to listen
listen, to listen
Sample Sentences
-
Zij luisterden altijd zeer oplettend naar mijne gesprekken hierover, maar vooral naar datgene, wat betrekking tot het koopen van Negers had, een handel, die toen daar weinig gedreven werd, om dat men er assientos [...]
(Robinson Crusoe)
-
Maar ik werd door mijne verbeelding weggesleept, en gehoorzaamde deze blindelings, zonder naar mijn verstand te luisteren. Toen dus het schip uitgerust, de lading gereed en alles met mijne medereeders geschikt was, ging ik wederom te kwader ure, scheep, den 1sten September 1659, denzelfden dag waarop ik acht jaren [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] mijne boot, maar stond niet weinig verbaasd, toen ik duidelijk op het zand den indruk van een naakten menschenvoet zag. Ik stond als van den donder getroffen, of als of ik een geest gezien had. Ik luisterde, ik zag in het rond, maar hoorde noch zag niets. Ik ging op eene hoogte om verder te kunnen zien, ik ging het strand op en neder, maar zag geen anderen indruk dan dien enkelen. Weer ging ik er heen [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] met dezelfde almagt en wijsheid bestierde, waarmede Hij ze geschapen heeft; dat Hij almagtig was, ons alles doen, alles geven, alles ontnemen kon; en zoo opende ik van lieverlede hem de oogen. Hij luisterde zeer oplettend, en hoorde met veel genoegen hoe Christus gezonden was om ons te verlossen, en hoe wij God behoorden te bidden, en hoe deze ons altijd hoorde, waar wij ook waren. Hij zeide mij eens, [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] vuur was voor de werkers van ongeregtigheid; hoe Hij, die ons allen geschapen had, ons en de geheele wereld door zijn wil vernietigen kon, en al dien tijd had hij met de grootste aandacht naar mij geluisterd. Daarna verhaalde ik hem hoe de duivel, Gods vijand, in de harten der menschen was, en al zijne list besteedde om de goede voornemens der Voorzienigheid tegen te werken, en het rijk van Christus [...]
(Robinson Crusoe)
Etymology
From Middle Dutch luusteren, lūsteren, from Old Dutch *lūstren, from Proto-West Germanic *hlūstrēn, ultimately from Proto-Indo-European *ḱlew- (“to hear”). Cognate with German Low German lüüstern, luustern (“to listen”), Old High German lūstarēn (whence obsolete or dialectal German laustern, Luxembourgish lauschteren), Saterland Frisian lusterje (“to listen to”). See: German, old spelling '
laustern', Luxembourgish '
lauschteren', Frisian, Saterlandic 'lusterje'.
Verbs referencing "luisteren"
Afrikaans
luister, Frisian, Saterlandic lusterje, Luxembourgish
lauschteren, Low Saxon luustern.
Additional Information