illustreren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of illustreren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: illustreren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: illustrerend
Past participle - Verleden deelwoord: geïllustreerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikillustreer
jijillustreert
hijillustreert
wijillustreren
jullieillustreren
zijillustreren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geïllustreerd
jijhebt geïllustreerd
hijheeft geïllustreerd
wijhebben geïllustreerd
julliehebben geïllustreerd
zijhebben geïllustreerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikillustreerde
jijillustreerde
hijillustreerde
wijillustreerden
jullieillustreerden
zijillustreerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geïllustreerd
jijhad geïllustreerd
hijhad geïllustreerd
wijhadden geïllustreerd
julliehadden geïllustreerd
zijhadden geïllustreerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal illustreren
jijzult illustreren
hijzal illustreren
wijzullen illustreren
julliezullen illustreren
zijzullen illustreren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geïllustreerd hebben
jijzult geïllustreerd hebben
hijzal geïllustreerd hebben
wijzullen geïllustreerd hebben
julliezullen geïllustreerd hebben
zijzullen geïllustreerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou illustreren
jijzou illustreren
hijzou illustreren
wijzouden illustreren
julliezouden illustreren
zijzouden illustreren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geïllustreerd hebben
jijzou geïllustreerd hebben
hijzou geïllustreerd hebben
wijzouden geïllustreerd hebben
julliezouden geïllustreerd hebben
zijzouden geïllustreerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijillustreer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Borrowed from Middle French illustrer, from Latin illūstrō. See: Latin 'illūstrō'.

Additional Information