kruiden – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of kruiden

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: kruiden
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: kruidend
Past participle - Verleden deelwoord: gekruid

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikkruid
jijkruidt
hijkruidt
wijkruiden
julliekruiden
zijkruiden

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gekruid
jijhebt gekruid
hijheeft gekruid
wijhebben gekruid
julliehebben gekruid
zijhebben gekruid

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikkruidde
jijkruidde
hijkruidde
wijkruidden
julliekruidden
zijkruidden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gekruid
jijhad gekruid
hijhad gekruid
wijhadden gekruid
julliehadden gekruid
zijhadden gekruid

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal kruiden
jijzult kruiden
hijzal kruiden
wijzullen kruiden
julliezullen kruiden
zijzullen kruiden

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gekruid hebben
jijzult gekruid hebben
hijzal gekruid hebben
wijzullen gekruid hebben
julliezullen gekruid hebben
zijzullen gekruid hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou kruiden
jijzou kruiden
hijzou kruiden
wijzouden kruiden
julliezouden kruiden
zijzouden kruiden

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gekruid hebben
jijzou gekruid hebben
hijzou gekruid hebben
wijzouden gekruid hebben
julliezouden gekruid hebben
zijzouden gekruid hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijkruid

Translations

  • season, to flavour food
  • spice, to add spice or spices to
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch cruden. Equivalent to kruid + -en.

    Additional Information