kruisen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of kruisen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: kruisen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: kruisend
Past participle - Verleden deelwoord: gekruist

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikkruis
jijkruist
hijkruist
wijkruisen
julliekruisen
zijkruisen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gekruist
jijhebt gekruist
hijheeft gekruist
wijhebben gekruist
julliehebben gekruist
zijhebben gekruist

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikkruiste
jijkruiste
hijkruiste
wijkruisten
julliekruisten
zijkruisten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gekruist
jijhad gekruist
hijhad gekruist
wijhadden gekruist
julliehadden gekruist
zijhadden gekruist

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal kruisen
jijzult kruisen
hijzal kruisen
wijzullen kruisen
julliezullen kruisen
zijzullen kruisen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gekruist hebben
jijzult gekruist hebben
hijzal gekruist hebben
wijzullen gekruist hebben
julliezullen gekruist hebben
zijzullen gekruist hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou kruisen
jijzou kruisen
hijzou kruisen
wijzouden kruisen
julliezouden kruisen
zijzouden kruisen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gekruist hebben
jijzou gekruist hebben
hijzou gekruist hebben
wijzouden gekruist hebben
julliezouden gekruist hebben
zijzouden gekruist hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijkruis

Translations

  • cross, travel in a direction or path that will intersect with that another
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    • De twee wegen kruisen elkaar bij het kruispunt. (The two roads cross each other at the intersection.)
    • De lijnen kruisen elkaar in het midden van het papier. (The lines intersect each other in the middle of the paper.)
    • De boer kruiste twee verschillende rassen van schapen. (The farmer bred two different breeds of sheep.)
    • Ze zijn van plan om de planten te kruisen om een nieuwe variant te krijgen. (They plan to cross the plants to get a new variant.)

    Etymology

    From Middle Dutch crucen. Equivalent to kruis + -en.

    Verbs referencing "kruisen"

    English cruise, Esperanto krozi, Swedish kryssa, Dutch cruisen.

    Additional Information