kieperen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of kieperen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: kieperen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: kieperend
Past participle - Verleden deelwoord: gekieperd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikkieper
jijkiepert
hijkiepert
wijkieperen
julliekieperen
zijkieperen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gekieperd
jijhebt gekieperd
hijheeft gekieperd
wijhebben gekieperd
julliehebben gekieperd
zijhebben gekieperd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikkieperde
jijkieperde
hijkieperde
wijkieperden
julliekieperden
zijkieperden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gekieperd
jijhad gekieperd
hijhad gekieperd
wijhadden gekieperd
julliehadden gekieperd
zijhadden gekieperd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal kieperen
jijzult kieperen
hijzal kieperen
wijzullen kieperen
julliezullen kieperen
zijzullen kieperen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gekieperd hebben
jijzult gekieperd hebben
hijzal gekieperd hebben
wijzullen gekieperd hebben
julliezullen gekieperd hebben
zijzullen gekieperd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou kieperen
jijzou kieperen
hijzou kieperen
wijzouden kieperen
julliezouden kieperen
zijzouden kieperen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gekieperd hebben
jijzou gekieperd hebben
hijzou gekieperd hebben
wijzouden gekieperd hebben
julliezouden gekieperd hebben
zijzouden gekieperd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijkieper

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

buitelen
tuimelen, vallen
gooien
mieteren, smijten, storten

Sample Sentences

Etymology

From kiepen + -eren.

Additional Information