tuimelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of tuimelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: tuimelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: tuimelend
Past participle - Verleden deelwoord: getuimeld

Cognates

See the 5 cognates of tuimelen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iktuimel
jijtuimelt
hijtuimelt
wijtuimelen
jullietuimelen
zijtuimelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb getuimeld
jijhebt getuimeld
hijheeft getuimeld
wijhebben getuimeld
julliehebben getuimeld
zijhebben getuimeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iktuimelde
jijtuimelde
hijtuimelde
wijtuimelden
jullietuimelden
zijtuimelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad getuimeld
jijhad getuimeld
hijhad getuimeld
wijhadden getuimeld
julliehadden getuimeld
zijhadden getuimeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal tuimelen
jijzult tuimelen
hijzal tuimelen
wijzullen tuimelen
julliezullen tuimelen
zijzullen tuimelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal getuimeld hebben
jijzult getuimeld hebben
hijzal getuimeld hebben
wijzullen getuimeld hebben
julliezullen getuimeld hebben
zijzullen getuimeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou tuimelen
jijzou tuimelen
hijzou tuimelen
wijzouden tuimelen
julliezouden tuimelen
zijzouden tuimelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou getuimeld hebben
jijzou getuimeld hebben
hijzou getuimeld hebben
wijzouden getuimeld hebben
julliezouden getuimeld hebben
zijzouden getuimeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijtuimel

Translations

  • plummet, to drop swiftly, in a direct manner; to fall quickly
  • tumble, to fall end over end
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    • [...] mij dadelijk, en ongeveer veertig schreden vooruitgaande, om te digter bij hen te zijn, gaf hij vuur op hen, en ik meende, dat hij hen allen gedood had; want ik zag ze allen over elkander in de boot tuimelen, doch twee hunner stonden spoedig weder op. Hij had echter twee er van gedood en den derde gekwetst, zoodat deze als dood op den bodem van de kanoe lag. (Robinson Crusoe)
    • [...] de beer stond zoo uit het veld geslagen, dat wij ons lagchen niet konden bedwingen, schoon ik nog niet begrijpen kon, wat hij doen wilde. Eerst dachten wij, dat hij den beer uit den boom zou laten tuimelen, maar daar was de beer te slim toe, want hij kwam niet ver genoeg, en hield zich met zijne breede klaauwen zoo stevig vast, dat wij niet begrepen, hoe het af zou loopen. Eindelijk maakte Vrijdag er [...] (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From Middle Dutch tumelen, a frequentative derived from tumen, from Old Dutch *tūmon, from Proto-Germanic *tūmōną (“to turn, rotate”). See: Old Dutch '*tūmon', Proto-Germanic '*tūmōną'.

    Verbs referencing "tuimelen"

    English tumble, German, old spelling taumeln.

    Additional Information