kietelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of kietelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: kietelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: kietelend
Past participle - Verleden deelwoord: gekieteld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikkietel
jijkietelt
hijkietelt
wijkietelen
julliekietelen
zijkietelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gekieteld
jijhebt gekieteld
hijheeft gekieteld
wijhebben gekieteld
julliehebben gekieteld
zijhebben gekieteld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikkietelde
jijkietelde
hijkietelde
wijkietelden
julliekietelden
zijkietelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gekieteld
jijhad gekieteld
hijhad gekieteld
wijhadden gekieteld
julliehadden gekieteld
zijhadden gekieteld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal kietelen
jijzult kietelen
hijzal kietelen
wijzullen kietelen
julliezullen kietelen
zijzullen kietelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gekieteld hebben
jijzult gekieteld hebben
hijzal gekieteld hebben
wijzullen gekieteld hebben
julliezullen gekieteld hebben
zijzullen gekieteld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou kietelen
jijzou kietelen
hijzou kietelen
wijzouden kietelen
julliezouden kietelen
zijzouden kietelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gekieteld hebben
jijzou gekieteld hebben
hijzou gekieteld hebben
wijzouden gekieteld hebben
julliezouden gekieteld hebben
zijzouden gekieteld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijkietel

Translations

  • tickle, to touch in a manner that causes tingling sensation
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    1. From Middle Dutch kietelen, ketelen, kittelen, kitelen, from Old Dutch *kitilon, from Proto-West Germanic *kitilōn, from Proto-Germanic *kitilōną, frequentative form of Proto-Germanic *kitōną (“to tickle”), from Proto-Indo-European *geyd- (“to stick, jab, tickle”).
    2. Cognate with Middle English kitelen (> English kittle), Low German kettelen, ketelen (“to tickle”), German kitzeln (“to tickle”), Icelandic kitla (“to tickle”), Swedish kittla, kittsla, Danish kilde and perhaps Old Armenian կիծ- (kic-, “to sting, bite”). See: Old Dutch '*kitilon', Proto-Germanic '*kitilōną', English 'kittle', Low Saxon 'kettelen', German, old spelling 'kitzeln', Icelandic 'kitla', Swedish 'kittla', Danish 'kilde'.

    Verbs referencing "kietelen"

    German, old spelling killern.

    Additional Information