kamperen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of kamperen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: kamperen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: kamperend
Past participle - Verleden deelwoord: gekampeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikkampeer
jijkampeert
hijkampeert
wijkamperen
julliekamperen
zijkamperen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gekampeerd
jijhebt gekampeerd
hijheeft gekampeerd
wijhebben gekampeerd
julliehebben gekampeerd
zijhebben gekampeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikkampeerde
jijkampeerde
hijkampeerde
wijkampeerden
julliekampeerden
zijkampeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gekampeerd
jijhad gekampeerd
hijhad gekampeerd
wijhadden gekampeerd
julliehadden gekampeerd
zijhadden gekampeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal kamperen
jijzult kamperen
hijzal kamperen
wijzullen kamperen
julliezullen kamperen
zijzullen kamperen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gekampeerd hebben
jijzult gekampeerd hebben
hijzal gekampeerd hebben
wijzullen gekampeerd hebben
julliezullen gekampeerd hebben
zijzullen gekampeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou kamperen
jijzou kamperen
hijzou kamperen
wijzouden kamperen
julliezouden kamperen
zijzouden kamperen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gekampeerd hebben
jijzou gekampeerd hebben
hijzou gekampeerd hebben
wijzouden gekampeerd hebben
julliezouden gekampeerd hebben
zijzouden gekampeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijkampeer

Translations

  • camp, to live in a tent
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    • We kampeerden in de bergen tijdens onze vakantie. (We camped in the mountains during our vacation.)
    • Ze kampeert graag in het bos. (She likes to camp out in the forest.)
    • Hij kampeerde op de camping voor een week. (He encamped at the campground for a week.)

    Etymology

    Borrowed from Middle French camper.

    Additional Information