kapen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of kapen

The word "kapen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: kapen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: kapend
Past participle - Verleden deelwoord: gekaapt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikkaap
jijkaapt
hijkaapt
wijkapen
julliekapen
zijkapen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gekaapt
jijhebt gekaapt
hijheeft gekaapt
wijhebben gekaapt
julliehebben gekaapt
zijhebben gekaapt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikkaapte
jijkaapte
hijkaapte
wijkaapten
julliekaapten
zijkaapten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gekaapt
jijhad gekaapt
hijhad gekaapt
wijhadden gekaapt
julliehadden gekaapt
zijhadden gekaapt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal kapen
jijzult kapen
hijzal kapen
wijzullen kapen
julliezullen kapen
zijzullen kapen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gekaapt hebben
jijzult gekaapt hebben
hijzal gekaapt hebben
wijzullen gekaapt hebben
julliezullen gekaapt hebben
zijzullen gekaapt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou kapen
jijzou kapen
hijzou kapen
wijzouden kapen
julliezouden kapen
zijzouden kapen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gekaapt hebben
jijzou gekaapt hebben
hijzou gekaapt hebben
wijzouden gekaapt hebben
julliezouden gekaapt hebben
zijzouden gekaapt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijkaap

Verbs similar to 'kapen'

Translations

  • hijack, to seize control of a vehicle
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From kaap + -en.

    Verbs referencing "kapen"

    English cop, Swedish kapa.

    Additional Information