ironiseren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of ironiseren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: ironiseren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: ironiserend
Past participle - Verleden deelwoord: geïroniseerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikironiseer
jijironiseert
hijironiseert
wijironiseren
jullieironiseren
zijironiseren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geïroniseerd
jijhebt geïroniseerd
hijheeft geïroniseerd
wijhebben geïroniseerd
julliehebben geïroniseerd
zijhebben geïroniseerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikironiseerde
jijironiseerde
hijironiseerde
wijironiseerden
jullieironiseerden
zijironiseerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geïroniseerd
jijhad geïroniseerd
hijhad geïroniseerd
wijhadden geïroniseerd
julliehadden geïroniseerd
zijhadden geïroniseerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal ironiseren
jijzult ironiseren
hijzal ironiseren
wijzullen ironiseren
julliezullen ironiseren
zijzullen ironiseren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geïroniseerd hebben
jijzult geïroniseerd hebben
hijzal geïroniseerd hebben
wijzullen geïroniseerd hebben
julliezullen geïroniseerd hebben
zijzullen geïroniseerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou ironiseren
jijzou ironiseren
hijzou ironiseren
wijzouden ironiseren
julliezouden ironiseren
zijzouden ironiseren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geïroniseerd hebben
jijzou geïroniseerd hebben
hijzou geïroniseerd hebben
wijzouden geïroniseerd hebben
julliezouden geïroniseerd hebben
zijzouden geïroniseerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijironiseer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information