anodiseren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of anodiseren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: anodiseren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: anodiserend
Past participle - Verleden deelwoord: geanodiseerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikanodiseer
jijanodiseert
hijanodiseert
wijanodiseren
jullieanodiseren
zijanodiseren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geanodiseerd
jijhebt geanodiseerd
hijheeft geanodiseerd
wijhebben geanodiseerd
julliehebben geanodiseerd
zijhebben geanodiseerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikanodiseerde
jijanodiseerde
hijanodiseerde
wijanodiseerden
jullieanodiseerden
zijanodiseerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geanodiseerd
jijhad geanodiseerd
hijhad geanodiseerd
wijhadden geanodiseerd
julliehadden geanodiseerd
zijhadden geanodiseerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal anodiseren
jijzult anodiseren
hijzal anodiseren
wijzullen anodiseren
julliezullen anodiseren
zijzullen anodiseren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geanodiseerd hebben
jijzult geanodiseerd hebben
hijzal geanodiseerd hebben
wijzullen geanodiseerd hebben
julliezullen geanodiseerd hebben
zijzullen geanodiseerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou anodiseren
jijzou anodiseren
hijzou anodiseren
wijzouden anodiseren
julliezouden anodiseren
zijzouden anodiseren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geanodiseerd hebben
jijzou geanodiseerd hebben
hijzou geanodiseerd hebben
wijzouden geanodiseerd hebben
julliezouden geanodiseerd hebben
zijzouden geanodiseerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijanodiseer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information