indonderen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of indonderen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: indonderen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: indonderend
Past participle - Verleden deelwoord: ingedonderd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdonder in
jijdondert in
hijdondert in
wijdonderen in
julliedonderen in
zijdonderen in

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb ingedonderd
jijhebt ingedonderd
hijheeft ingedonderd
wijhebben ingedonderd
julliehebben ingedonderd
zijhebben ingedonderd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdonderde in
jijdonderde in
hijdonderde in
wijdonderden in
julliedonderden in
zijdonderden in

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad ingedonderd
jijhad ingedonderd
hijhad ingedonderd
wijhadden ingedonderd
julliehadden ingedonderd
zijhadden ingedonderd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal indonderen
jijzult indonderen
hijzal indonderen
wijzullen indonderen
julliezullen indonderen
zijzullen indonderen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal ingedonderd hebben
jijzult ingedonderd hebben
hijzal ingedonderd hebben
wijzullen ingedonderd hebben
julliezullen ingedonderd hebben
zijzullen ingedonderd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou indonderen
jijzou indonderen
hijzou indonderen
wijzouden indonderen
julliezouden indonderen
zijzouden indonderen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou ingedonderd hebben
jijzou ingedonderd hebben
hijzou ingedonderd hebben
wijzouden ingedonderd hebben
julliezouden ingedonderd hebben
zijzouden ingedonderd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdonder in

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information