immuniseren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of immuniseren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: immuniseren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: immuniserend
Past participle - Verleden deelwoord: geïmmuniseerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikimmuniseer
jijimmuniseert
hijimmuniseert
wijimmuniseren
jullieimmuniseren
zijimmuniseren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geïmmuniseerd
jijhebt geïmmuniseerd
hijheeft geïmmuniseerd
wijhebben geïmmuniseerd
julliehebben geïmmuniseerd
zijhebben geïmmuniseerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikimmuniseerde
jijimmuniseerde
hijimmuniseerde
wijimmuniseerden
jullieimmuniseerden
zijimmuniseerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geïmmuniseerd
jijhad geïmmuniseerd
hijhad geïmmuniseerd
wijhadden geïmmuniseerd
julliehadden geïmmuniseerd
zijhadden geïmmuniseerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal immuniseren
jijzult immuniseren
hijzal immuniseren
wijzullen immuniseren
julliezullen immuniseren
zijzullen immuniseren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geïmmuniseerd hebben
jijzult geïmmuniseerd hebben
hijzal geïmmuniseerd hebben
wijzullen geïmmuniseerd hebben
julliezullen geïmmuniseerd hebben
zijzullen geïmmuniseerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou immuniseren
jijzou immuniseren
hijzou immuniseren
wijzouden immuniseren
julliezouden immuniseren
zijzouden immuniseren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geïmmuniseerd hebben
jijzou geïmmuniseerd hebben
hijzou geïmmuniseerd hebben
wijzouden geïmmuniseerd hebben
julliezouden geïmmuniseerd hebben
zijzouden geïmmuniseerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijimmuniseer

Translations

  • immunize, to make someone or something immune to something
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Additional Information