romaniseren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of romaniseren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: romaniseren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: romaniserend
Past participle - Verleden deelwoord: geromaniseerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikromaniseer
jijromaniseert
hijromaniseert
wijromaniseren
jullieromaniseren
zijromaniseren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geromaniseerd
jijhebt geromaniseerd
hijheeft geromaniseerd
wijhebben geromaniseerd
julliehebben geromaniseerd
zijhebben geromaniseerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikromaniseerde
jijromaniseerde
hijromaniseerde
wijromaniseerden
jullieromaniseerden
zijromaniseerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geromaniseerd
jijhad geromaniseerd
hijhad geromaniseerd
wijhadden geromaniseerd
julliehadden geromaniseerd
zijhadden geromaniseerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal romaniseren
jijzult romaniseren
hijzal romaniseren
wijzullen romaniseren
julliezullen romaniseren
zijzullen romaniseren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geromaniseerd hebben
jijzult geromaniseerd hebben
hijzal geromaniseerd hebben
wijzullen geromaniseerd hebben
julliezullen geromaniseerd hebben
zijzullen geromaniseerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou romaniseren
jijzou romaniseren
hijzou romaniseren
wijzouden romaniseren
julliezouden romaniseren
zijzouden romaniseren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geromaniseerd hebben
jijzou geromaniseerd hebben
hijzou geromaniseerd hebben
wijzouden geromaniseerd hebben
julliezouden geromaniseerd hebben
zijzouden geromaniseerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijromaniseer

Translations

  • romanize, to put letters or words into the Latin alphabet
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Additional Information