gloeien – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of gloeien

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: gloeien
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: gloeiend
Past participle - Verleden deelwoord: gegloeid

Cognates

See the 5 cognates of gloeien

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikgloei
jijgloeit
hijgloeit
wijgloeien
julliegloeien
zijgloeien

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gegloeid
jijhebt gegloeid
hijheeft gegloeid
wijhebben gegloeid
julliehebben gegloeid
zijhebben gegloeid

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikgloeide
jijgloeide
hijgloeide
wijgloeiden
julliegloeiden
zijgloeiden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gegloeid
jijhad gegloeid
hijhad gegloeid
wijhadden gegloeid
julliehadden gegloeid
zijhadden gegloeid

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal gloeien
jijzult gloeien
hijzal gloeien
wijzullen gloeien
julliezullen gloeien
zijzullen gloeien

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gegloeid hebben
jijzult gegloeid hebben
hijzal gegloeid hebben
wijzullen gegloeid hebben
julliezullen gegloeid hebben
zijzullen gegloeid hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou gloeien
jijzou gloeien
hijzou gloeien
wijzouden gloeien
julliezouden gloeien
zijzouden gloeien

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gegloeid hebben
jijzou gegloeid hebben
hijzou gegloeid hebben
wijzouden gegloeid hebben
julliezouden gegloeid hebben
zijzouden gegloeid hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijgloei

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

fonkelen
stralen

Sample Sentences

  • [...] brandhout er om heen, met een grooten hoop asch er onder. Ik stookte het vuur steeds aan, totdat ik zag dat de potten van binnen gloeijend waren, en dat zij geen van allen barstten. Toen zij helder gloeiden, hield ik het vuur op dezelfde hoogte, gedurende vijf of zes uren; toen ik zag dat eene daarvan, ofschoon niet barstende, begon te smelten, of vloeibaar te worden, want het zand, dat onder de klei [...] (Robinson Crusoe)
  • [...] vloeibaar te worden, want het zand, dat onder de klei zat begon te smelten en zou tot glas geworden zijn, als ik voortgegaan had. Ik liet dus het vuur langzamerhand uitgaan, tot de potten niet meer gloeiden, en bleef er den geheelen nacht bij om het vuur niet te snel te laten uitdooven. In den morgen had ik drie goede, ik zal niet zeggen fraaije kruiken, en twee potten, zoo hard als ik wenschen kon, en [...] (Robinson Crusoe)

Etymology

Inherited from Middle Dutch gloeyen, inherited from Old Dutch *gluoien, inherited from Proto-West Germanic *glōan, inherited from Proto-Germanic *glōaną. See: Proto-Germanic '*glōaną', Proto-Germanic '*glōaną'.

Verbs referencing "gloeien"

English glow, German, old spelling glühen.

Additional Information