stralen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of stralen

The word "stralen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: stralen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: stralend
Past participle - Verleden deelwoord: gestraald

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikstraal
jijstraalt
hijstraalt
wijstralen
julliestralen
zijstralen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gestraald
jijhebt gestraald
hijheeft gestraald
wijhebben gestraald
julliehebben gestraald
zijhebben gestraald

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikstraalde
jijstraalde
hijstraalde
wijstraalden
julliestraalden
zijstraalden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gestraald
jijhad gestraald
hijhad gestraald
wijhadden gestraald
julliehadden gestraald
zijhadden gestraald

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal stralen
jijzult stralen
hijzal stralen
wijzullen stralen
julliezullen stralen
zijzullen stralen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gestraald hebben
jijzult gestraald hebben
hijzal gestraald hebben
wijzullen gestraald hebben
julliezullen gestraald hebben
zijzullen gestraald hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou stralen
jijzou stralen
hijzou stralen
wijzouden stralen
julliezouden stralen
zijzouden stralen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gestraald hebben
jijzou gestraald hebben
hijzou gestraald hebben
wijzouden gestraald hebben
julliezouden gestraald hebben
zijzouden gestraald hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijstraal

Verbs similar to 'stralen'

Translations

  • beam, to emit light
  • beam, to smile broadly
  • luster, to have luster
  • shine, to emit light
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch strâlen. Equivalent to straal + -en.

    Additional Information