gewagen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of gewagen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: gewagen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: gewagend
Past participle - Verleden deelwoord: gewaagd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikgewaag
jijgewaagt
hijgewaagt
wijgewagen
julliegewagen
zijgewagen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gewaagd
jijhebt gewaagd
hijheeft gewaagd
wijhebben gewaagd
julliehebben gewaagd
zijhebben gewaagd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikgewaagde
jijgewaagde
hijgewaagde
wijgewaagden
julliegewaagden
zijgewaagden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gewaagd
jijhad gewaagd
hijhad gewaagd
wijhadden gewaagd
julliehadden gewaagd
zijhadden gewaagd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal gewagen
jijzult gewagen
hijzal gewagen
wijzullen gewagen
julliezullen gewagen
zijzullen gewagen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gewaagd hebben
jijzult gewaagd hebben
hijzal gewaagd hebben
wijzullen gewaagd hebben
julliezullen gewaagd hebben
zijzullen gewaagd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou gewagen
jijzou gewagen
hijzou gewagen
wijzouden gewagen
julliezouden gewagen
zijzouden gewagen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gewaagd hebben
jijzou gewaagd hebben
hijzou gewaagd hebben
wijzouden gewaagd hebben
julliezouden gewaagd hebben
zijzouden gewaagd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijgewaag

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From Middle Dutch gewāgen, from earlier unattested *gewâen, from Old Dutch *giwān, from Proto-West Germanic *gawahwan.

Additional Information