floreren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of floreren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: floreren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: florerend
Past participle - Verleden deelwoord: gefloreerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikfloreer
jijfloreert
hijfloreert
wijfloreren
julliefloreren
zijfloreren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gefloreerd
jijhebt gefloreerd
hijheeft gefloreerd
wijhebben gefloreerd
julliehebben gefloreerd
zijhebben gefloreerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikfloreerde
jijfloreerde
hijfloreerde
wijfloreerden
julliefloreerden
zijfloreerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gefloreerd
jijhad gefloreerd
hijhad gefloreerd
wijhadden gefloreerd
julliehadden gefloreerd
zijhadden gefloreerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal floreren
jijzult floreren
hijzal floreren
wijzullen floreren
julliezullen floreren
zijzullen floreren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gefloreerd hebben
jijzult gefloreerd hebben
hijzal gefloreerd hebben
wijzullen gefloreerd hebben
julliezullen gefloreerd hebben
zijzullen gefloreerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou floreren
jijzou floreren
hijzou floreren
wijzouden floreren
julliezouden floreren
zijzouden floreren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gefloreerd hebben
jijzou gefloreerd hebben
hijzou gefloreerd hebben
wijzouden gefloreerd hebben
julliezouden gefloreerd hebben
zijzouden gefloreerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijfloreer

Translations

  • boom, to be prosperous
  • flourish, to thrive or grow well
  • flourish, to prosper or fare well
  • flourish, to be in a period of greatest influence
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    bloeien
    gedijen, tieren

    Sample Sentences

    Etymology

    Borrowed from Latin flōrēre, from flōreō.

    Additional Information