devolveren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of devolveren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: devolveren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: devolverend
Past participle - Verleden deelwoord: gedevolveerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdevolveer
jijdevolveert
hijdevolveert
wijdevolveren
julliedevolveren
zijdevolveren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gedevolveerd
jijhebt gedevolveerd
hijheeft gedevolveerd
wijhebben gedevolveerd
julliehebben gedevolveerd
zijhebben gedevolveerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdevolveerde
jijdevolveerde
hijdevolveerde
wijdevolveerden
julliedevolveerden
zijdevolveerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gedevolveerd
jijhad gedevolveerd
hijhad gedevolveerd
wijhadden gedevolveerd
julliehadden gedevolveerd
zijhadden gedevolveerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal devolveren
jijzult devolveren
hijzal devolveren
wijzullen devolveren
julliezullen devolveren
zijzullen devolveren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gedevolveerd hebben
jijzult gedevolveerd hebben
hijzal gedevolveerd hebben
wijzullen gedevolveerd hebben
julliezullen gedevolveerd hebben
zijzullen gedevolveerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou devolveren
jijzou devolveren
hijzou devolveren
wijzouden devolveren
julliezouden devolveren
zijzouden devolveren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gedevolveerd hebben
jijzou gedevolveerd hebben
hijzou gedevolveerd hebben
wijzouden gedevolveerd hebben
julliezouden gedevolveerd hebben
zijzouden gedevolveerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdevolveer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information