revolteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of revolteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: revolteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: revolterend
Past participle - Verleden deelwoord: gerevolteerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikrevolteer
jijrevolteert
hijrevolteert
wijrevolteren
jullierevolteren
zijrevolteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gerevolteerd
jijhebt gerevolteerd
hijheeft gerevolteerd
wijhebben gerevolteerd
julliehebben gerevolteerd
zijhebben gerevolteerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikrevolteerde
jijrevolteerde
hijrevolteerde
wijrevolteerden
jullierevolteerden
zijrevolteerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gerevolteerd
jijhad gerevolteerd
hijhad gerevolteerd
wijhadden gerevolteerd
julliehadden gerevolteerd
zijhadden gerevolteerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal revolteren
jijzult revolteren
hijzal revolteren
wijzullen revolteren
julliezullen revolteren
zijzullen revolteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gerevolteerd hebben
jijzult gerevolteerd hebben
hijzal gerevolteerd hebben
wijzullen gerevolteerd hebben
julliezullen gerevolteerd hebben
zijzullen gerevolteerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou revolteren
jijzou revolteren
hijzou revolteren
wijzouden revolteren
julliezouden revolteren
zijzouden revolteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gerevolteerd hebben
jijzou gerevolteerd hebben
hijzou gerevolteerd hebben
wijzouden gerevolteerd hebben
julliezouden gerevolteerd hebben
zijzouden gerevolteerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijrevolteer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From French révolter. See: French 'révolter'.

Additional Information