resolveren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of resolveren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: resolveren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: resolverend
Past participle - Verleden deelwoord: geresolveerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikresolveer
jijresolveert
hijresolveert
wijresolveren
jullieresolveren
zijresolveren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geresolveerd
jijhebt geresolveerd
hijheeft geresolveerd
wijhebben geresolveerd
julliehebben geresolveerd
zijhebben geresolveerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikresolveerde
jijresolveerde
hijresolveerde
wijresolveerden
jullieresolveerden
zijresolveerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geresolveerd
jijhad geresolveerd
hijhad geresolveerd
wijhadden geresolveerd
julliehadden geresolveerd
zijhadden geresolveerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal resolveren
jijzult resolveren
hijzal resolveren
wijzullen resolveren
julliezullen resolveren
zijzullen resolveren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geresolveerd hebben
jijzult geresolveerd hebben
hijzal geresolveerd hebben
wijzullen geresolveerd hebben
julliezullen geresolveerd hebben
zijzullen geresolveerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou resolveren
jijzou resolveren
hijzou resolveren
wijzouden resolveren
julliezouden resolveren
zijzouden resolveren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geresolveerd hebben
jijzou geresolveerd hebben
hijzou geresolveerd hebben
wijzouden geresolveerd hebben
julliezouden geresolveerd hebben
zijzouden geresolveerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijresolveer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information