designeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of designeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: designeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: designerend
Past participle - Verleden deelwoord: gedesigneerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdesigneer
jijdesigneert
hijdesigneert
wijdesigneren
julliedesigneren
zijdesigneren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gedesigneerd
jijhebt gedesigneerd
hijheeft gedesigneerd
wijhebben gedesigneerd
julliehebben gedesigneerd
zijhebben gedesigneerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdesigneerde
jijdesigneerde
hijdesigneerde
wijdesigneerden
julliedesigneerden
zijdesigneerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gedesigneerd
jijhad gedesigneerd
hijhad gedesigneerd
wijhadden gedesigneerd
julliehadden gedesigneerd
zijhadden gedesigneerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal designeren
jijzult designeren
hijzal designeren
wijzullen designeren
julliezullen designeren
zijzullen designeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gedesigneerd hebben
jijzult gedesigneerd hebben
hijzal gedesigneerd hebben
wijzullen gedesigneerd hebben
julliezullen gedesigneerd hebben
zijzullen gedesigneerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou designeren
jijzou designeren
hijzou designeren
wijzouden designeren
julliezouden designeren
zijzouden designeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gedesigneerd hebben
jijzou gedesigneerd hebben
hijzou gedesigneerd hebben
wijzouden gedesigneerd hebben
julliezouden gedesigneerd hebben
zijzouden gedesigneerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdesigneer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information