detoneren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of detoneren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: detoneren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: detonerend
Past participle - Verleden deelwoord: gedetoneerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdetoneer
jijdetoneert
hijdetoneert
wijdetoneren
julliedetoneren
zijdetoneren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gedetoneerd
jijhebt gedetoneerd
hijheeft gedetoneerd
wijhebben gedetoneerd
julliehebben gedetoneerd
zijhebben gedetoneerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdetoneerde
jijdetoneerde
hijdetoneerde
wijdetoneerden
julliedetoneerden
zijdetoneerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gedetoneerd
jijhad gedetoneerd
hijhad gedetoneerd
wijhadden gedetoneerd
julliehadden gedetoneerd
zijhadden gedetoneerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal detoneren
jijzult detoneren
hijzal detoneren
wijzullen detoneren
julliezullen detoneren
zijzullen detoneren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gedetoneerd hebben
jijzult gedetoneerd hebben
hijzal gedetoneerd hebben
wijzullen gedetoneerd hebben
julliezullen gedetoneerd hebben
zijzullen gedetoneerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou detoneren
jijzou detoneren
hijzou detoneren
wijzouden detoneren
julliezouden detoneren
zijzouden detoneren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gedetoneerd hebben
jijzou gedetoneerd hebben
hijzou gedetoneerd hebben
wijzouden gedetoneerd hebben
julliezouden gedetoneerd hebben
zijzouden gedetoneerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdetoneer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information