coördineren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of coördineren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: coördineren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: coördinerend
Past participle - Verleden deelwoord: gecoördineerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikcoördineer
jijcoördineert
hijcoördineert
wijcoördineren
julliecoördineren
zijcoördineren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gecoördineerd
jijhebt gecoördineerd
hijheeft gecoördineerd
wijhebben gecoördineerd
julliehebben gecoördineerd
zijhebben gecoördineerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikcoördineerde
jijcoördineerde
hijcoördineerde
wijcoördineerden
julliecoördineerden
zijcoördineerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gecoördineerd
jijhad gecoördineerd
hijhad gecoördineerd
wijhadden gecoördineerd
julliehadden gecoördineerd
zijhadden gecoördineerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal coördineren
jijzult coördineren
hijzal coördineren
wijzullen coördineren
julliezullen coördineren
zijzullen coördineren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gecoördineerd hebben
jijzult gecoördineerd hebben
hijzal gecoördineerd hebben
wijzullen gecoördineerd hebben
julliezullen gecoördineerd hebben
zijzullen gecoördineerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou coördineren
jijzou coördineren
hijzou coördineren
wijzouden coördineren
julliezouden coördineren
zijzouden coördineren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gecoördineerd hebben
jijzou gecoördineerd hebben
hijzou gecoördineerd hebben
wijzouden gecoördineerd hebben
julliezouden gecoördineerd hebben
zijzouden gecoördineerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijcoördineer

Translations

  • coordinate, to synchronize
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Borrowed from Medieval Latin coordinare.

    Additional Information