chagrineren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of chagrineren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: chagrineren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: chagrinerend
Past participle - Verleden deelwoord: gechagrineerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikchagrineer
jijchagrineert
hijchagrineert
wijchagrineren
julliechagrineren
zijchagrineren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gechagrineerd
jijhebt gechagrineerd
hijheeft gechagrineerd
wijhebben gechagrineerd
julliehebben gechagrineerd
zijhebben gechagrineerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikchagrineerde
jijchagrineerde
hijchagrineerde
wijchagrineerden
julliechagrineerden
zijchagrineerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gechagrineerd
jijhad gechagrineerd
hijhad gechagrineerd
wijhadden gechagrineerd
julliehadden gechagrineerd
zijhadden gechagrineerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal chagrineren
jijzult chagrineren
hijzal chagrineren
wijzullen chagrineren
julliezullen chagrineren
zijzullen chagrineren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gechagrineerd hebben
jijzult gechagrineerd hebben
hijzal gechagrineerd hebben
wijzullen gechagrineerd hebben
julliezullen gechagrineerd hebben
zijzullen gechagrineerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou chagrineren
jijzou chagrineren
hijzou chagrineren
wijzouden chagrineren
julliezouden chagrineren
zijzouden chagrineren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gechagrineerd hebben
jijzou gechagrineerd hebben
hijzou gechagrineerd hebben
wijzouden gechagrineerd hebben
julliezouden gechagrineerd hebben
zijzouden gechagrineerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijchagrineer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information