blunderen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of blunderen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: blunderen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: blunderend
Past participle - Verleden deelwoord: geblunderd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikblunder
jijblundert
hijblundert
wijblunderen
jullieblunderen
zijblunderen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geblunderd
jijhebt geblunderd
hijheeft geblunderd
wijhebben geblunderd
julliehebben geblunderd
zijhebben geblunderd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikblunderde
jijblunderde
hijblunderde
wijblunderden
jullieblunderden
zijblunderden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geblunderd
jijhad geblunderd
hijhad geblunderd
wijhadden geblunderd
julliehadden geblunderd
zijhadden geblunderd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal blunderen
jijzult blunderen
hijzal blunderen
wijzullen blunderen
julliezullen blunderen
zijzullen blunderen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geblunderd hebben
jijzult geblunderd hebben
hijzal geblunderd hebben
wijzullen geblunderd hebben
julliezullen geblunderd hebben
zijzullen geblunderd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou blunderen
jijzou blunderen
hijzou blunderen
wijzouden blunderen
julliezouden blunderen
zijzouden blunderen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geblunderd hebben
jijzou geblunderd hebben
hijzou geblunderd hebben
wijzouden geblunderd hebben
julliezouden geblunderd hebben
zijzouden geblunderd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijblunder

Translations

  • blunder, To make a stupid mistake
  • misstep, to make an error or mistake
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Borrowed from English blunder. See: English 'blunder'.

    Additional Information