brevieren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of brevieren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: brevieren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: brevierend
Past participle - Verleden deelwoord: gebrevierd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbrevier
jijbreviert
hijbreviert
wijbrevieren
julliebrevieren
zijbrevieren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gebrevierd
jijhebt gebrevierd
hijheeft gebrevierd
wijhebben gebrevierd
julliehebben gebrevierd
zijhebben gebrevierd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbrevierde
jijbrevierde
hijbrevierde
wijbrevierden
julliebrevierden
zijbrevierden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gebrevierd
jijhad gebrevierd
hijhad gebrevierd
wijhadden gebrevierd
julliehadden gebrevierd
zijhadden gebrevierd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal brevieren
jijzult brevieren
hijzal brevieren
wijzullen brevieren
julliezullen brevieren
zijzullen brevieren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gebrevierd hebben
jijzult gebrevierd hebben
hijzal gebrevierd hebben
wijzullen gebrevierd hebben
julliezullen gebrevierd hebben
zijzullen gebrevierd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou brevieren
jijzou brevieren
hijzou brevieren
wijzouden brevieren
julliezouden brevieren
zijzouden brevieren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gebrevierd hebben
jijzou gebrevierd hebben
hijzou gebrevierd hebben
wijzouden gebrevierd hebben
julliezouden gebrevierd hebben
zijzouden gebrevierd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbrevier

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information