revieren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of revieren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: revieren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: revierend
Past participle - Verleden deelwoord: gerevierd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikrevier
jijreviert
hijreviert
wijrevieren
jullierevieren
zijrevieren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gerevierd
jijhebt gerevierd
hijheeft gerevierd
wijhebben gerevierd
julliehebben gerevierd
zijhebben gerevierd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikrevierde
jijrevierde
hijrevierde
wijrevierden
jullierevierden
zijrevierden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gerevierd
jijhad gerevierd
hijhad gerevierd
wijhadden gerevierd
julliehadden gerevierd
zijhadden gerevierd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal revieren
jijzult revieren
hijzal revieren
wijzullen revieren
julliezullen revieren
zijzullen revieren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gerevierd hebben
jijzult gerevierd hebben
hijzal gerevierd hebben
wijzullen gerevierd hebben
julliezullen gerevierd hebben
zijzullen gerevierd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou revieren
jijzou revieren
hijzou revieren
wijzouden revieren
julliezouden revieren
zijzouden revieren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gerevierd hebben
jijzou gerevierd hebben
hijzou gerevierd hebben
wijzouden gerevierd hebben
julliezouden gerevierd hebben
zijzouden gerevierd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijrevier

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information