botvieren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of botvieren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: botvieren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: botvierend
Past participle - Verleden deelwoord: gebotvierd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbotvier
jijbotviert
hijbotviert
wijbotvieren
julliebotvieren
zijbotvieren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gebotvierd
jijhebt gebotvierd
hijheeft gebotvierd
wijhebben gebotvierd
julliehebben gebotvierd
zijhebben gebotvierd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbotvierde
jijbotvierde
hijbotvierde
wijbotvierden
julliebotvierden
zijbotvierden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gebotvierd
jijhad gebotvierd
hijhad gebotvierd
wijhadden gebotvierd
julliehadden gebotvierd
zijhadden gebotvierd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal botvieren
jijzult botvieren
hijzal botvieren
wijzullen botvieren
julliezullen botvieren
zijzullen botvieren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gebotvierd hebben
jijzult gebotvierd hebben
hijzal gebotvierd hebben
wijzullen gebotvierd hebben
julliezullen gebotvierd hebben
zijzullen gebotvierd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou botvieren
jijzou botvieren
hijzou botvieren
wijzouden botvieren
julliezouden botvieren
zijzouden botvieren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gebotvierd hebben
jijzou gebotvierd hebben
hijzou gebotvierd hebben
wijzouden gebotvierd hebben
julliezouden gebotvierd hebben
zijzouden gebotvierd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbotvier

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Compound of bot + vieren (“to let loose”).

Additional Information