blussen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of blussen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: blussen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: blussend
Past participle - Verleden deelwoord: geblust

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikblus
jijblust
hijblust
wijblussen
jullieblussen
zijblussen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geblust
jijhebt geblust
hijheeft geblust
wijhebben geblust
julliehebben geblust
zijhebben geblust

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbluste
jijbluste
hijbluste
wijblusten
jullieblusten
zijblusten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geblust
jijhad geblust
hijhad geblust
wijhadden geblust
julliehadden geblust
zijhadden geblust

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal blussen
jijzult blussen
hijzal blussen
wijzullen blussen
julliezullen blussen
zijzullen blussen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geblust hebben
jijzult geblust hebben
hijzal geblust hebben
wijzullen geblust hebben
julliezullen geblust hebben
zijzullen geblust hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou blussen
jijzou blussen
hijzou blussen
wijzouden blussen
julliezouden blussen
zijzouden blussen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geblust hebben
jijzou geblust hebben
hijzou geblust hebben
wijzouden geblust hebben
julliezouden geblust hebben
zijzouden geblust hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijblus

Translations

  • extinguish, to put out, as in fire; to end burning; to quench
  • quench, to extinguish or put out
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    dempen
    doven, lessen, smoren

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch blusschen, from earlier bleschen. Equivalent to be- + lessen, but with loss of the unstressed vowel of the unstressed syllable. See: Middle Dutch 'blusschen'.

    Additional Information