bitumineren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of bitumineren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: bitumineren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: bituminerend
Past participle - Verleden deelwoord: gebitumineerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbitumineer
jijbitumineert
hijbitumineert
wijbitumineren
julliebitumineren
zijbitumineren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gebitumineerd
jijhebt gebitumineerd
hijheeft gebitumineerd
wijhebben gebitumineerd
julliehebben gebitumineerd
zijhebben gebitumineerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbitumineerde
jijbitumineerde
hijbitumineerde
wijbitumineerden
julliebitumineerden
zijbitumineerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gebitumineerd
jijhad gebitumineerd
hijhad gebitumineerd
wijhadden gebitumineerd
julliehadden gebitumineerd
zijhadden gebitumineerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal bitumineren
jijzult bitumineren
hijzal bitumineren
wijzullen bitumineren
julliezullen bitumineren
zijzullen bitumineren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gebitumineerd hebben
jijzult gebitumineerd hebben
hijzal gebitumineerd hebben
wijzullen gebitumineerd hebben
julliezullen gebitumineerd hebben
zijzullen gebitumineerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou bitumineren
jijzou bitumineren
hijzou bitumineren
wijzouden bitumineren
julliezouden bitumineren
zijzouden bitumineren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gebitumineerd hebben
jijzou gebitumineerd hebben
hijzou gebitumineerd hebben
wijzouden gebitumineerd hebben
julliezouden gebitumineerd hebben
zijzouden gebitumineerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbitumineer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information